Panorama van Voorhout

Het verhaal

 

's Zomers gaan we fijn kamperen .....

1

Door: Emiel van der Hoeven

Aan het begin van de jaren dertig besluit Jan de Wit het boerzijn er aan te geven en zijn terrein beschikbaar te stellen voor kampeerders. Hij behoudt nog wel wat vee. De Wit beschikt namelijk naast een stuk grond dat grenst aan het weiland van boerderij de Blink aan het vroegere Langeveld, thans Kapelleboslaan in Noordwijk, post Noordwijkerhout, ook een stuk bij de watermolen elders in het Langeveld. Het Leidsch Dagblad van 6 juli 1934 vermeldt zijn vergunning en dat van de weduwe Smit in het Langeveld. 2Voor de oorlog is er geen sprake van tenthuisjes of (sta-)caravans. Nee, kampeerders slapen in tenten. Ook maakt de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) gebruik van het kampeerterrein. Door het afgraven van duingronden ten behoeve van de bollencultuur en de ruilverkaveling in het midden van de jaren vijftig moet een stuk van het terrein worden prijsgegeven. Daardoor verhuist een groot deel van de kampeerders naar de andere zijde van de weg, waar De Wit grond van de gemeente Noordwijk in pacht heeft. In de loop der jaren nemen vaste huisjes en stacaravans de plaats in van de oude tenthuisjes, die jaarlijks opgebouwd en afgebroken moeten worden. Individuele kampeerders ziet men er steeds minder. Anno 1996 beheert de derde generatie De Wit de camping. Na zoon Henk staat kleinzoon Jan aan het roer. Het terrein is daarna verkocht en er is veel (onherkenbaar) veranderd.

Paul en Nel van der Hoeven komen in 1951 met hun kinderen voor het eerst bij boer De Wit, zoals hij genoemd wordt. Tot 1996 delen zij er lief en leed en zien zij kampeerders komen en gaan. Met Willem Alblas behoren zij tot de oudst aanwezige kampeerders. In 1997 zou er om financiële worden gestopt met het luxueuze kamperen. Gezondheidsproblemen met Paul van der Hoeven versnelt de verkoop van de stacaravan. Zoon Emiel duikt in zijn herinneringen.

De oudste herinneringen aan kampeerterrein Jan de Wit gaan terug tot het begin van de jaren vijftig. Als amper vijfjarige heb ik op de zogenaamde Kalverstraat mijn eerste kennismaking met het kamperen. Naast de kampschuur, grenzend aan het weiland, staan drie tenthuisjes. In één ervan kampeert de Leidse kapper Leen van Tongeren. Ook onze jonge familie komt een weekje van de geneugten van het leven genieten. Het strand ligt om de hoek. We slapen op strozakken. Volgens mijn moeder is dochter Paula nog geen jaar (1951) wanneer we voor het eerst één van de vaste huisjes van boer de Wit huren. Het jaar erop huren we er een tenthuisje naast de kampschuur en het derde jaar heeft moeder de Wit, zoals ze genoemd wordt, wederom een weekje in een stenen huisje voor ons geregeld. Wij zijn door een vertegenwoordiger van het Algemeen KantoormachineBedrijf (AKB) aan de Lammermarkt, de werkgever van Paul van der Hoeven. Na deze drie jaar bouwt mijn vader in de tuin in de Cosijnstraat 12 een eigen tenthuisje. De vloerschotten bestaan uit planken van transportkisten van schrijfmachines van AKB en zijn decennialang gebruikt. Voor ƒ 50 brengt groenteboer Jan Beij, de broer van buurman -en ook groenteboer- Andries, het huisje op Hemelvaartsdag 1954 met zijn aanhanger naar het Langeveld. De familie zelf zal wel op de fiets naar het Langeveld gegaan zijn. Een barre route ervaar ik jaren later. Over de beginjaren reikt mijn kennis niet verder dan de al eerder genoemde Kalverstraat. Dit stuk kampeerterrein werd zo genoemd omdat het één langgerekt stuk was. Aan de andere kant van de weg huizen ook kampeerders. Tijdens vanaf café de Duinpoort, met de familie Hogervorst, is het eerste veld links van de weg gereserveerd voor losse kampeerders en het tweede veld voor de overige tenthuisjes met vaste kampeerders. Het derde veld is leeg en op het laatste brandt op vrijdagavond regelmatig het kampvuur. Maar daarover later meer.

In de Kalverstraat is het een drukte van belang. Hoe ziet dat terrein er uit? Nadat je het huis van de familie De Wit links of rechts passeert, loop je tegen “Het Woelige Nest” aan. Dit uit twee verdiepingen bestaande houten gebouw, met aan de voor- en achterzijde een houten trap, is voor groepen. De gasten recreëren beneden en slapen boven.

2 2
De Kalverstraat waarschijnlijk nog voor de oorlog. Het woelige Nest. Naast de ingang links staat Boer de Wit. Hier werden 's winters de huisjes opgeslagen.

 

Je moet dan als kampeerder linksaf. Aan de rechterkant staat de kampschuur met een open haard en een bescheiden toneel. Zowel links als rechts is een toegangsdeur en in het midden zijn openslaande deuren. Naast de kampschuur staan de eerder genoemde drie huisjes. Aan de beboste kant van het veld staan de tenthuisjes in een lange rij. Voor zover ik weet, heb je eerst een algemeen washok met aansluitend drie vaste huisjes die boer de Wit verhuurde. Vervolgens een behoorlijk groot strohok, een walhalla voor muizen. Ik vraag me af of dit het einde van de bebouwing is of dat de verhuurhuisjes hiernaast nog staan. Wel realiseer ik me dat er nog een aantal losse tenthuisjes voor de verhuur staan. Deze huisjes zijn door timmerman Jan Massaar gemaakt. Daarna komen de vaste kampeerders, te beginnen met de familie Jan en Greet Massaar en zijn dochter Lydie.

Aan de weilandzijde, aansluitend op de kampschuur, staan meestal de weinige tenten. Tegenover Cor en Riekes van der Wijngaard staan de Amsterdammers Jan en Jo Alberts en Kees en Wil (achternaam onbekend). In het midden verbreedt zich het kampeerterrein. Wanneer je alle huisjes gepasseerd bent, kan je het terrein af en vervolgt de weg zich met een linkerbocht richting kampeerterrein Willem Smit. Over het rechtdoor lopende zandpad kom je bij de huisjes van het Leidse Volkshuis. Hier treffen we vaak Dammes Bergman van Excelsior.

O ja, tegenover het strohok staat een grote kist met op het deksel een grote bankschroef.

Namen uit die eerste dagen zijn:
- Herman en Nel Visser uit Rotterdam met hun zoons Herman en Leo;
- Wim, Alie, Dinie en Wim(mie) Alblas (Amsterdam);
- Aad en Nel Moring;
- Joop Koper (Haarlem, aan de spoorlijn naar Leiden);
- de families De Jong (Rotterdam);
- de wat schuifelende Riekus, Corrietje en Henny van der Wijngaard met hun hond Beertje (later hield Corrietje een aapje);
- het kinderloze echtpaar Jan en Geertje de Koning. Jan was timmerman;
- Timmerman Jan Massaar met dochter Lidy;
- Reiner en Annie van Selst (Biodoppie);
- Annie, Koos met Eefje en Henny Stikkelorum;
- Jan, Bep met Hans en Lenie Marijt; Jan werkte als fotograaf bij Van der Horst, Doezastraat, Leiden;
- Koos, Saar, jonge Koos, Moppie (eigenlijk heet ze Sarie gelijk haar moeder) en Wil van der Hoeven (allen uit Leiden).

Onderling heerste er een goede sfeer en veel kinderen spelen met elkaar of bouwen hutten in het bos achter Koper. Het slootje achter de huisjes vormt voor de jeugd natuurlijk geen probleem. Tussen Van dern paadje door het bos naar de weg.

1

Snoepje van de Week

Hoe we aan het Langeveld zijn gekomen weet ik niet. Enerzijds misschien door de er reeds langer staande Koos van der Hoeven, de broer van mijn vader, of anderzijds misschien uit de herinnering van mijn moeder. Op dertienjarige leeftijd kampeerde zij reeds met de AJC op het land van Jan de Wit. Bij broer Koos is het altijd een komen en gaan van vrienden en bekenden uit alle rangen en standen. Er kan daar van alles. Voor een korte periode vonden ook zus Nel en Leo Keijzer er hun onderdak. In tegenstelling tot andere tenthuisjes was hun huisje in de breedte gebouwd en had het een vast dak. Aan de linkerkant zijn de slaapplaatsen en rechts de keuken. Omdat er van alles kan, hangt daar al snel een vloekenpotje. Wie er vloekt moet een kwartje in de pot storten. Gelet op de geringe hoogte krijgt dit huisje al snel de naam: “Hotel stoot je hoofd niet”.

Kopje soep?

Bij Koos en Saar van der Hoeven staat de pan met soep op het aanrecht. Erbovenop een plank ligt de kam. Een kam met vette haren. Dat valt de kam in de soep. Met een forse greep van Saar is de kam weer uit de soep. Dan vraagt ze doodleuk: “Wie wil een kopje soep?” Andere huisjes krijgen ook namen. Ik herinner me slechts de drie huisjes Kwik, Kwek en Kwak en ons eigen "Snoepje van de Week" (Het bekende credo van grootgrutter De Gruyter). In dit huisje, met een afscheidingswand op driekwart en in het midden een gordijn vertoeven wij de zomermaanden. Achter de wand staan twee tweepersoonsbedden getransformeerd tot een stapelbed. Het bovenste is voor de ouders, het onderste voor de drie kinderen Emiel, Marianne en Paula. De matrassen van de bedden bestaan aanvankelijk uit strozakken. Eerst later worden de strozakken vervangen door matrassen en slaap ik zelf op een veldbed naast het stapelbed met boven mijn hoofd de kapstok. Aan de andere zijde van het schot staat een bescheiden keukentje. Water komt van buiten uit een ketel waaraan een kraan is gesoldeerd. Dus vullen betekent emmers water sjouwen. De koelkast wordt gevormd door een ketel in de grond. Stro voor de bedden komt uit het strohok aan het begin van de Kalverstraat. Het stro kan, zeker als het vers is, behoorlijk prikken en na lang gebruik werd het keihard. Andere herinneringen heb ik hier niet aan. Nou ja, misschien wat muizen in het strohok. Deze vrij grote ruimte biedt in de winter gelegenheid om de huisjes op te slaan. Echter niet voor noppes. Ik denk dat in die eerste jaren het staangeld zo’n tachtig en de opslag tien tot twintig gulden kost. Mijn vader vindt dat laatste toch wel een hoop geld, maar waar moet hij het spul anders opslaan?

Sjeik Most

2

Ik vraag mij af of we met ons huisje op twee plaatsen hebben gestaan. Volgens de foto’s lijkt dat wel zo. Links van ons staat de familie Annie en Koos Stikkelorum met dochter Eefje en zoon Henny. Af en toe komt de moeder van Annie op bezoek. Voor zover ik kan nagaan beschikken wij al gauw over een bromfiets, een zwarte Kaptein Mobylette, gekocht bij Van der Pluym op het Levendaal. Dit moet al voor 1956 zijn geweest, omdat mijn vader dan bij Demmenie gaat werken en daar een Berini krijgt. Hierdoor blijven wij de zeven zomervakantieweken op “Noordwijk” en rijdt Paul van der Hoeven elke dag heen en weer. Achter ons huisje komt uiteraard een zelf gebouwd fietsenhok, dat tevens als opslag functioneert. Mijn vader heeft in die tijd zo’n dag of acht vakantie. Gezamenlijk met Stikkelorum, of alleen, gaan we dagjes uit. Ik herinner mij (mede aan de hand van foto’s) Artis, Madurodam en iets te drinken ergens aan de Ringvaart. Annie en Koos vertrekken van het veld en verhuizen later van de Os en Paardelaan in Leiden naar Leiderdorp. Als opvolgers meldt zich de familie Aad en Jo Most. Volgens mij klopt dit niet!! UITZOEKEN Hij lang en niet te vet; zij aan de stevige kant. Al gauw staat deze Leidse brandweerman, die om de dag vrij heeft en over een auto beschikt (kenteken begon met UT), bekend als Sjeik Most. Tijdens een dolle dag, terwijl alle mannen werken, verkleden een fiks aantal onbestorven weduwen zich als haremdame en gaan het terrein rond naar de andere kant van de weg. Dochter Ada is snel met haar flip vertrokken; zoon Hans heeft het vaak met ons flink te verduren. Hij is niet het type die bij iedereen goed ligt; hij wordt vaak gepest.

Woonhuis annex kampwinkel

Langer dan een paar dagen van huis betekent in de kampwinkel of omgeving inkopen doen. In het huis van Jan de Wit is een kamer ingeruimd waar de kampeerders hun eerste levensbehoeften kunnen kopen. Via de ingang aan de zijkant van het woonhuis passeer je rechts de woonkamer en links het toilet en de keuken, waarna men in het domein van moeder De Wit met haar typerend witte schort komt. Hier wordt bij drukte hulp verleend door Sjaan Versluis, Bep Post, Tante Saar en soms Nel Moring. De man van Sjaan, Adrie, functioneert soms als bewaker. Af en toe denkt hij dat hij de eigenaar van het terrein is. Vader Jan loopt altijd op klompen en in een boerenkiel. Buiten liggen ter afkoeling in een teil water de flesjes cola, 7-up, Hero, chocomel en Joy te wachten op dorstige kopers. Uit een kraan met slang loopt continue vers koel water in de teil. Verder zie je omringd door de bomen het petroleumhok met olie voor twintig cent per liter voor de olielamp, de gasflessen en het hondenhok voor de herder. Hier is later een soort magazijn. Verse melk wordt op hoogtijdagen dagelijks door Kees van der Slot uit de Noordwijkerhoutse Schoolstraat aangevoerd. Aan het eind van de dag komt groenteboer Ali Broekhof en soms, wanneer zij niet kan, haar broer Floor. In latere tijd wordt die vervangen door een Leidenaar van de Veilingkade. Jaren heb ik Ali geholpen. Vaak rijd ik ook met Van der Slot mee. Zijn klandizie reikt tot ver in De Zilk. Regelmatig (eens in de week?) komt aan het eind van de dag de wat mank lopende Joop Buschman met zijn motorbakfiets het terrein op rijden om zijn haringen (kwartje), rolmopsen en zure bommen (vijftien cent) aan de man te brengen. Anno 1996 woont de gepensioneerde Joop in Voorhout.

Pisbakken

Nog even terugkomend op de indeling van het veld van Jan de Wit. Naast het woonhuis is ook een schuin naar beneden gaande ingang. Aan de rechterzijde tot aan het weiland van buurman De Blink staat ook een gebouw. De eerste twee zalen zijn jongens- en meisjesslaapzalen, gevolgd door de dames- en herenwasruimte elk met vier toiletten. Naar de huidige maatstaven gerekend niet de meest hygiënische. De wasgelegenheid lijkt meer een varkenstrog met een aantal kranen en daarboven een plank en aangeslagen spiegels. Als laatste komen de stinkende openluchtpisbakken voor de heren.

Vermaak

Waar houden we ons zoal mee bezig? Ik memoreerde het al eerder: hutten bouwen in het bos achter ons. Dat is natuurlijk niet het enige. Al vroeg gaan we vaak over het rijwielpad door de duinen naar het zweefvliegen kijken. Dat is best wel gezellig. Nu bestaat dat fietspad niet meer; het is verlegd naar de andere zijde van het zweefvliegveld. Het publiek kan nu ook niet meer het veld op. Samen met Wim Alblas maken we in een 'tent'; zandtaartjes in vormen die we zogenaamd verkopen. Uiteraard gaan we ook wel eens naar het strand. Volgens mij echter niet regelmatig. Omdat er aanvankelijk geen andere mogelijkheid bestaat moest dit lopend via radio Nora (Noordwijk Radio). Tot het oorlogspad kan dit gewoon over de betonnen weg. Halverwege begint het terrein van Nora en moeten de strandgangers achter de prikkeldraadafscheiding door het zand verder. Men noemt dit dus al snel het Strompelpad. In een kooi bij de bewaking bij de slagboom zit een fret. Later, wanneer ik Van der Slot help, ben ik wel eens bij radio Nora geweest. In 1960 komt de Langevelderslag van de grond. De weg naar de Amsterdamse Waterleiding wordt doorgetrokken naar zee. Een jaar na de opening slipt er een Volkswagen. Deze komt met zijn onderkant tegen het prikkeldraad. Tijdens het klimmen over dat prikkeldraad voor het maken van foto’s haal ik een forse jaap in mijn knie. In het gebied van de Waterleiding zoeken we soms naar bramen.

Bloemen

In de zomer worden op talloze bollenvelden in de omgeving gladiolen gekopt en op een hoop gegooid. Het is de kunst om die hoop met de mooiste bloemen te vinden om deze dan thuis te bossen. Op de fiets met volle zijtassen worden dan de campings in de omgeving afgereden om de bloemen voor een kwartje (of soms meer) per bos aan de man te brengen. Het lukt vaak leeg te raken. Van het geld kunnen we onder meer zakjes chips met losse zoutzakjes kopen. Andere kinderen maakten eerder in het seizoen van gekopte tulpenbloemen slingers en verkochten deze.

Vennetje

Door de duinen loopt het rijwielpad langs de golfbanen naar Noordwijk. Het pad eindigt na het openluchtzwembad in de duinen bij de cartbaan, het tegenwoordige Wantveld. Ik herinner me dat ik wel eens jaloers was op mijn neef Koos die daar regelmatig kwam. Langs dit rijwielpad voor de kruising met de Duindamseslag ligt aan de linkerkant in het bos een schitterend vennetje. Ook hier komen we wel eens. Nu is dit ven opgedroogd. Bijzonder aantrekkelijk zijn de afgravingen. Het is er altijd heerlijk zwemmen. Daarnaast gappen we daar in de zomermaanden nogal wat wortelen. We zwemmen meestal in de bocht voorbij Sancta Maria, of bij de watermolen. Als twaalf- tot veertienjarige kan je best wat geld gebruiken. Bij Berbee, net voor Sancta Maria, kan je bollenpellen. Dat is niet bepaald een lekker klusje. Nu ik dit schrijf denk ik ook ineens aan het inpakken van bollen in Noordwijkerhout, naast schoenhandel Broekhof. Voor de kermis van Sancta Maria en St Bavo zijn de spaarcenten natuurlijk alweer verdwenen.

Melkkoker

Het is niet altijd prettig om op het kampeerterrein te zijn. Ook het vliegeren met de zelfgemaakte vliegers gaan op den duur vervelen. De verveling slaat dan toe en dan begin je anderen te pesten. Puberaal gedrag, dus. Om melk niet over te laten koken hebben we in die tijd een dubbelwandige melkkoker. De binnenwand is gevuld met water, dat eerder kookt dan de melk. Tijdens één van die klierdagen ben ik blijkbaar zo stierlijk vervelend dat ik aan de zijkant van het huisje de melkkoker naar mijn hoofd geworpen krijg. Natuurlijk mis. Jarenlang zijn we aan deze gebeurtenis herinnerd: de melkkoker kwam gedeukt uit de strijd, het deksel paste daarna niet meer.

Verjaardagen

Een hoofdstuk apart vormen de verjaardagen van Moeder de Wit op 31juli. Vooruitlopend op die feestdag gonst het op het kampeerterrein van de activiteiten. Diverse dames, waaronder Nel van der Hoeven, zamelen geld in voor een cadeau. De trekharmonica’s van Henny van der Wijngaard, Han de Zwart en Rienier van Selst worden al gesmeerd en ingespeeld. Ook een speciale stamper komt er vaak aan te pas en Wim Post speelt op zijn mondharmonica. Voorop loopt dikwijls Marius met zijn stamper. Deze werkt bij kapper van Tongeren. Dit is dezelfde Marius die later in de Leidse Roomburgerlaan een kapperzaak zal openen. Zo’n stamper is een soort kruis van boomstammetjes met ook aan de onderzijde een dwarspaaltje. Via de uiteinden loopt een touw voorzien van honderden kroonkurken (uit die teil water), hetgeen een speciaal rinkelend effect geeft. Op de feestdag wordt de jarige met echtgenote opgehaald en volgt een optocht over het kampeerterrein naar het middenveld aan de andere zijde van weg. Hier wordt in de ochtenduren door onder andere Piet Kettenis het cadeau overhandigd. Rond 1955 loop ik zelf met mijn Excelsiortrommel in zo’n optocht mee. Bij de koffie ‘s avonds krijgt iedereen een gebakje, terwijl er gekostumeerd voetbal of een feestavond in de kampschuur is. Als kleedkamer dient het washok tegenover de kampschuur. Ik herinner me deelnemers als Pele, mensen in rieten rokjes en baby’s met lekkere luiers (Aad van der Linden). Soms is de kampschuur het domein voor een Bonte Avond. Kampeerders voeren dan toneelstukjes of sketches op. De aanwezigen zitten op houten banken en zingen uit volle borst: Hoog op de gele wagen, De fiere Pinksterblom, Sarie Mareis of Waar de blanke top der duinen (Mijn Nederland) uit het boekje Jan Pierewiet. Het Noordzeestrand, Faria en het Kamplied van Jan de Wit komen niet in Jan Pierewiet voor. Het is voor ons jongeren een doorn in het oog dat wij zo’n Bonte Avond niet mogen bijwonen: “Jullie moeten eerst zestien zijn,” is steevast de reactie. Wanneer wij die leeftijd hebben, bestaat er geen Bonte Avond meer en functioneert de kampschuur als televisiezaal. Menig katje is hier in het donker geknepen.

2

Kampvuur

Zoals al eerder beschreven staat brandt op menige vrijdagavond op het allerlaatste en tevens kleinste veldje een groot vuur. Hiervoor heeft Jan de Wit altijd hout in voorraad. Langs de rechter bosrand op het zogenaamde tentenveld wordt oud hout en takkenbossen bewaard. Wanneer er dan een kampvuur aangekondigd staat, worden stapels takkenbossen overgebracht en opgebouwd tot zo’n drie tot vier meter hoog. Petroleum, stro, kranten en wat vuurtjes zorgen voor een enorme vlammenzee. Onderwijl zingen de kampeerders de bekende kampliederen. Ouwe de Wit loopt dan glunderend, maar waakzaam, rond.

Kamplied

’s Zomers gaan we fijn kamperen
op ’t land van boer De Wit
En daar stonden vele keren
Onze tenten in ’t gelid
Het terrein
Is er fijn
Daar bij bos en duin
etc

Wat ik zelf niet meegemaakt heb, maar wel heb van horen zeggen, zijn de nachtwandelingen. Deze worden regelmatig voor de volwassenen georganiseerd. Hierbij zijn zaklantaarns natuurlijk verboden. De Wit kent de bossen als geen ander. Een of meer oudgedienden worden vooruitgestuurd. Zij mogen als spook functioneren. Begin jaren zestig sluit Staatsbosbeheer vele bossen af en verdwijnen de nachtwandelingen.

Verhuizingen

Waarschijnlijk als gevolg van afgravingen van weiland voor de bloembollencultuur ontstaat een wijziging in de infrastructuur van de omgeving van het kampeerterrein. Al het land vanaf halverwege de Kalverstraat moet verdwijnen. De afgravingen hebben, voor zover ik nu kan beoordelen, ook gevolgen voor Het Volkshuis en kampeerterrein Eigelsheim nabij de Ruigenhoek. Concreet betekent dit voor Jan de Wit verhuizing van de meeste Kalverstraatbewoners naar de andere zijde van de weg, naar veld nummer drie. De terreinen aan deze kant zijn overigens niet in eigendom van Jan de Wit of zijn nazaten, maar worden gepacht van de gemeente Noordwijk. Aad Moring en Koos van der Hoeven blijven achter. De een in een totaal nieuw, vast huisje, de ander in een caravan. Stikkelorum, Most en Van der Hoeven komen helemaal achter in de meest verguisde hoek terecht. Het is volgens menigeen de slechtste plek. Achteraf is iedereen hartstikke jaloers op die schitterende plaatsen. Volgens mijn moeder staat het eerste jaar in de Kalverstraat op de plaats van Stikkelorum de Leidse familie Willem Lagas. Willem is getrouwd met Suse Blom. Lagas vertrekt naar het even verderop gelegen kampeerterrein van Willem Smit. Daarna komen Koos en Annie Stikkelorum met hun dochter Eefje. Na de verhuizing naar de andere zijde van de weg, komen er ongeveer twee jaar later vele Amsterdammers van het inmiddels gesloten kampeerterrein Eigelsheim. De familie Niek en Rie Staphorst met Oma en Opa Jan Goes komen op de plek van Koos Stikkelorum in de linkerhoek. Recht tegenover ons maar wel haaks, op een afstand van een kleine honderd meter, vestigen zich de jongens Ruud, Rob en Marion en hun ouders Wim en Wil van Tiel. Menige ruzie ontrolt zich daar voor onze ogen. Naast van Tiel staat Rein van Selst. Aan de andere kant van het heuveltje komen Niek en Lies de Paauw Gerlings met hun twee lekkere meiden Ellie en Mary. Jonge Nico is al bijna het huis uit en zwerft ergens in Scandinavië. Nico sr werkt bij de Ford en komt vaak op zijn BMWmotor met zijspan naar Noordwijk. Nadat Visser vertrekt, neemt de katholieke familie Steenbrink hun plaats in. Wanneer het strohok en de aanpalende gebouwtjes verdwijnen, kan ik me niet meer herinneren. De te verhuren huisjes verhuizen naar veld twee.

Opzetten en afbreken

Van gemeentewegen is het voor alle kampeerterreinen verboden de tenthuisjes tussen pakweg 1 oktober en 1 april op het terrein te laten staan. ’s Winters moeten ze dus weg. Dat betekent bij Jan de Wit jaarlijks twee weekenden een gegons van werkzaamheden. In het voorjaar komen de huisjes uit het strohok, Woelige Nest, dames- en herentoiletten de slaapzalen of het washok. Overal zijn ploegen druk aan het sleutelen en timmeren en is het een gedrang om een lege wagen te pakken te krijgen. Dan moeten natuurlijk ook nog je schotten en balken bereikbaar zijn. Kees met zijn onafscheidelijke sigaar (later pijp) en tractor, wonend ergens midden aan de Boender, zorgt voor het transport naar je eigen plek. Daarna volgt een koortsachtig passen en meten om het juiste schot of vloerdeel op zijn plaats te krijgen. Ook al liggen de balken waterpas, elk jaar moet de hamer er aan te pas komen om de schroefgaten op hun juiste plaats te krijgen. Het is een grote sport om het huisje als eerste waterdicht te hebben. Aan het eind van het seizoen volgt de procedure in omgekeerde volgorde. In latere jaren blijft mijn moeder gewoon thuis. De jongens worden potiger en ook van de koude kant komt steun. Het huisje staat dan betrekkelijk dichtbij in de toiletten. Met Ger en mijn vader presteren we het in 1978 om de tent in een recordtijd van vijfenvijftig minuten overeind te hebben. Het oude huisje is inmiddels wel vervangen voor een nieuwe. Zo rond 1975-1976 worden onder druk van de maatschappelijke ontwikkelingen de eisen van de gemeente afgezwakt en mogen de tenthuisjes vervangen worden door worden door vaste huisjes en stacaravans.

Reinigingsdienst

Met het klimmen van de jaren veranderen ook de activiteiten van de jeugdige gasten. Het zal rond 1960 zijn geweest dat ik begin met het legen van de vuilnisbakken voor Henk de Wit. Met een kruiwagen met opzetstukken ga ik overal rond. Zodoende maak ik kennis met de families Meester en Van Diepeningen uit de Meern. Zij staan op het eerste veld helemaal achter in de hoek. De burgemeester van Leiderdorp is familie van hen. Tegen de achterrand van datzelfde veld staat de familie van Heske Donker. Enkele malen ben ik vanuit de Amsterdams Grafische School (AGS) bij hen op bezoek geweest. Zij wonen ergens achter de molen aan de weg Amsterdam-Haarlem. Heske is niet zo groot. Nadat ik de leeftijd van zestien jaar gepasseerd ben en bij de Rotogravure werkt, ga ik regelmatig ‘s avonds op de bromfiets terug om de bakken te legen. In de leren jas van mijn vader race ik op mijn Berini met bolle tank naar het Langeveld. De verdiensten betekenen een aanvulling op mijn salaris van ƒ22 per week. Hoe lang deze klus volgehouden is, is onbekend. Het zal wel niet zo gek lang zijn geweest; hooguit een seizoen of twee. In die periode ga ik ook regelmatig in mijn eentje naar de camping. Samen met Ruud van Tiel (inmiddels overleden) maken we café de Duinpoort en het strand “onveilig”. We hebben wel eens met vier gasten in het huisje geslapen.

Bruiloft

Jan en Moeder de Wit geraken op een leeftijd dat zij de fakkel moeten overdragen. In ..... dragen zij het beheer over de camping over aan hun zoon Henk, die al jaren op de Viaductweg in Noordwijkerhout woont. Henk leeft van 14 mei 1923 tot 30 december 1997. Eigenlijk was de camping bedoeld voor hun jongste zoon Cock (geboren in 1926). Cock krijgt in 1951 een motorongeluk, maar komt daar redelijk goed vanaf; hij klimt er weer bovenop. In 1952 trouwt hij met Grad en overlijdt in 1956 als gevolg van een hersentumor. Het gezin heeft twee jonge dochters: Anja en Cora. Het gezin van Henk en Bep de Wit kent meer kinderen: Gijs, deze drijft nu een florerende bloemenwinkel bij de Digros in Noordwijk; Jeanette is getrouwd met Jos van den Burg (van de kippen bij Piet Gijs); van Ineke weet ik niets; dan is er nog een derde dochter Hetty en als hekkesluiter: Jan. Deze laatste heeft de camping van zijn vader overgenomen. In 1970 viert het echtpaar De Wit sr in Noordwijkerhout hun vijftigjarig huwelijk. Vele kampeerders en oud-kampeerders geven acte de présence. Zelf maak ik vele foto’s.

Veranderde tijden

Nadat de kinderen het huis uittrekken, worden ze voor beheerder Henk de Wit als bezoekers beschouwd. Zo voelen zij zich echter niet. Nee, wat wil je na bijna twintig jaar? Voor betaling voelen we dus ook weinig. Het probleempje wordt als volgt opgelost: Pa van der Hoeven betaalt jaarlijks vijftig gulden extra. Wij hebben“gratis” toegang. Jaren hebben we de keet opgezet en afgebroken. De benodigde tijd werd steeds korter. Het tweede huisje maakt in 1979 plaats voor een stacaravan; Veluwemaat van de firma Muller uit Apeldoorn. De aankoop wordt mogelijk gemaakt door de opbrengst van de verkoop van het huis in de Cosijnstraat. In de jaren 1990-1991 staat de derde generatie De Wit staat aan het roer, is het terrein geëgaliseerd en zijn de plaatsen gewijzigd en verschoven. Voor Van der Hoeven betekent dit dat zijn caravan 90 graden moet draaien. Het houdt tevens de komst van de hokjesgeest in. Ieder zijn eigen hekje rond zijn territorium. Er komen parkeerplaatsen en een slagboom bij de ingang. Als naaste buren komen Dik, Rita en verderop haar moeder Rika en broer Richard; Wim en Bep Nietfeld vertrekken. In de oude situatie hebben we nog gebarbecued aan de lange zijkant van de caravan. Na de verplaatsing wordt de verjaardag van mijn moeder met een barbecue voor de caravan gevierd.

Het is mooi geweest

Op termijn zouden mijn ouders met de camping moeten stoppen. In maart 1996 verruilen zij een flat op de eerste verdieping in Oegstgeest voor één met een klein tuintje op de begane grond. Aan alles komt op enig moment een eind. Zo ook aan de Langeveldperiode. Als gevolg van het opdrogen van de financiële bron (opbrengst verkoop Cosijnstraat 12, Leiden) bestaan er plannen om in 1997 een streep onder “Het Langeveld” te zetten. Verslechtering van de gezondheid van mijn vader (een herseninfarct op vaderdag 1996) versnelt de verkoop van de stacaravan. Midden in het seizoen zal er misschien een goede prijs gemaakt kunnen worden. Tijdens mijn vakantie heeft zwager Ger tot tevredenheid de verkoop geregeld 4). Zo komt dus op 1 augustus 1996 een eind aan zesenveertig jaar lief en leed bij drie generaties De Wit. “We hebben een schitterende tijd gehad,” aldus mijn moeder. Ik kan dat beamen. En reken er op dat ik het gooien door mijn moeder van die speciale anti-overkookmelkkoker naar mijn hoofd nimmer zal vergeten.

De Wit gaat verder

Elk bedrijf heeft expansie nodig om te kunnen overleven. Zo ook natuurlijk de derde generatie Jan de Wit. Zowel links als rechts van de camping valt niet uit te breiden. Het enige wat mogelijk is, is een stuk bollenterrein achter het eerste veld over te nemen. De uitbreiding wordt na aanvankelijke weigering door de gemeente Noordwijk in 1997-1998 gerealiseerd.

Verkocht

Sinds januari 2001 verblijven ongeveer 200 Polen op de camping, terwijl permanent bewoning is verboden. Dit tot ongenoegen van de gemeente die met en probleem in haar maag zit. Daar moet in 2003 een einde aan komen. In oktober wordt het kampeerterrein verkocht aan de Oosterbeekse Vastgoedcombinatie. De naam wordt gewijzigd in Reacreatiepark Noordwijkse duinen en het maakt onderdeel uit van TopParken. Naar de staanplaatsen van vroeger moet je zoeken. Henk de Wit overleed in 1997 op 74-jarige leeftijd en zijn vrouw Bep (Gijsberta Maria) van Dam op 4 mei 2013. Zij was 88 jaar.

Steekwoorden voor verdere tekst

- Opa van Eden.
- Overdracht van Jan naar Henk de Wit in 1964.
- TV-hok.
- Wegvernieuwing.
- Windhoos. Het huisje van Jan en Mep Marijt werd opgepakt en neergekwakt. Jan werkte bij fotograaf van der Horst, Doezastraat, Leiden.
- Vissen en peentjes jatten bij de watermolen tijdens de afgravingen.
- Bezoekjes werknemers Demmenie op bromfietsen, dus voor huisje II (na 1956).
- Zelf op de fiets.
- 1954-1964? huisje I In 1964 keukenuitbouw in oude huisje op foto’s te zien.
- <1965-1979 huisje II Van der Hoeven rijdt al in een mini. Rijbewijs nazien.
- 1979-1996 Stacaravan (recordtijd 1978!).

Aanvullende namen

- Jan en Greet Giesen uit Vlaardingen. Zij namen het huisje van Joe en Aad Most over.
- Adrie en Sjaan Versluis als hulp in de winkel, woonden in grote hoge “caravan” in de Kalverstraat
- Familie Steenbrink met drie dochters, waaronder José. Zij kwamen in de plaats van de familie Visser.
- Annie en Jan Costo uit Leiden met dochter Kitty.
- Naast Koper: Sommeling uit Leiden. Daar kwam van Leeuwen.
- Verder: Familie Bodrij
- Bep en Wim Nietfeld, verzekeringen, uit Amsterdam. Zij begonnen met een tent
- Dick, Rita, Richard en Rika Kretee.
- Dinie Kling; haar vader was schoenmaker in Haarlem (hoorspelacteur).
- Rijsbergen kwam op een motor. Grote kerel.

1) Hebben we eerst naast Koper gestaan en zijn we toen verhuisd naar achteren? Volgens de foto’s lijkt dat zo. Waar was Koos toen wij op zijn plek stonden?
2) De achternaam is een vriendelijke mededeling van Henk de Wit.
3) Binnen veertien dagen na het schrijven van dit verhaal tijdens mijn vakantie (1996) van deze tekst ontving ik van Eva Vera-Slegtenhorst de zevende druk uit 1947 van Jan Pierewiet. Bij het zien van dit boekje door mijn moeder begon ze direct de eerste liederen te zingen. Ze kende de meeste van de AJC en de Jeugdbond Voor Onthouding (JVO).
4) De stacaravan, inlusief alle spullen, bracht bij de verkoop nog ƒ 4750 op.